Beslag in de Verenigde Staten is niet gelijk aan voorrangspositie in Nederland

Op 11 juli 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan (ECLI:NL:HR2014:1630) dat een beslag in de Verenigde Staten geen voorrangspositie in Nederland geeft.

Seacastle LLC had een leaseovereenkomst had gesloten met Europa West-Indië Lijnen B.V. (“EWL”) met betrekking tot zeecontainers. Omdat EWL niet voldeed aan haar betalingsverplichtingen heeft Seacastle verlof gevraagd en gekregen van de rechter in New York om ten laste van EWL beslag te leggen in de VS. Vervolgens is EWL op 14 juli 2008 in Nederland failliet verklaard. Enige tijd later is echter – ondanks het faillissement – door de New Yorkse rechter het door het beslag getroffen bedrag toegewezen aan Seacastle.

De curator in het faillissement van EWL vorderde betaling van dit bedrag aan de boedel, aangezien een schuldeiser zich alleen op goederen van de schuldenaar in het buitenland mag verhalen indien schuldeiser beschikt over een recht van voorrang als bedoeld in artikel 203 Fw. De gedachte hierachter is dat een schuldeiser anders inbreuk maakt op het beginsel van gelijkheid van schuldeisers.

De vraag die door de Hoge Raad beantwoord moest worden was dan ook of een Amerikaanse beslagmaatregel een voorrangspositie oplevert die gelijk is aan een Nederlands rechtelijk voorrangsrecht. De Hoge Raad oordeelde kort gezegd dat een Amerikaanse beslagmaatregel naar “inhoud en strekking” niet is gelijk te stellen aan een Nederlands voorrangsrecht. Seacastle moet daarom de door haar verkregen gelden vergoeden aan de curator.

De uitspraak is hier in te zien