Het creëren van een slechtere zekerheidspositie voor schuldeisers impliceert nog geen schade

Op 5 september 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waar de zekerheidspositie voor schuldeisers centraal staat.

Bestuurders hadden namens meerdere vennootschappen (autodealers) krediet- en financieringsovereenkomsten afgesloten met ABN AMRO Bank (in 1999 en 2005) en RCI Financial Services B.V. (“RCI”) (in 2004 en 2006). In beide gevallen verplichtten de vennootschappen zich een eerste pandrecht te verstrekken op de voertuigen.

In 2007 heeft de ABN AMRO Bank de kredietrelatie met de vennootschappen opgezegd en executoriaal beslag laten leggen op verpande voertuigen. RCI deed kort daarop hetzelfde. De voertuigen zijn openbaar geveild, maar de opbrengst was niet voldoende om RCI volledig te voldoen.
Hierop stelt RCI de bestuurders aansprakelijk voor het tekort en verwijt de bestuurders – kortgezegd – dat zij een verplichting zijn aangegaan (verstrekken van eerste pandrecht aan RCI) waarvan zij wisten of behoorden te begrijpen dat de vennootschappen deze niet zouden kunnen nakomen, nu zij aan de ABN AMRO Bank al een eerste pandrecht hadden verstrekt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een bestuurder pas persoonlijk aansprakelijk als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit kan het geval zijn als de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst behoorde te begrijpen dat de vennootschappen niet aan haar verplichtingen zouden kunnen voldoen en de andere partij dus schade zou lijden.

RCI stelt in een slechtere zekerheidspositie te zijn gekomen dan was overeengekomen (tweede i.p.v. eerste pandrecht) en zij heeft daardoor schade geleden. De Hoge Raad oordeelt dat een dergelijk verwijt pas tot aansprakelijkheid lijdt als bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat het niet nakomen van die verplichting (verstrekken van eerste pandrecht) tot schade zou lijden. RCI heeft onvoldoende gesteld dat een dergelijk schade – als gevolg van het niet verkrijgen van een eerste pandrecht – destijds te voorzien was. De uitspraak (ECLI:NL:HR:2014:2627) is hier in te zien.